
Gisteren zag ik ineens tussen Hoofddorp en Haarlem mijn oude auto
rijden. Een lichtblauwe Volvo 240. Het was hem echt, want ik herkende
hem aan het kenteken. Er zat een vrouw achter het stuur met een
handsfree-setje aan haar oor gehaakt.
Ongelofelijk.
Toen ik achttien werd, bood mijn vader mij rijlessen aan. Ik sloeg
het aanbod af. Autorijden was niet links. We spreken nu de jaren
zeventig. Ik was tegen de neutronenbom en vervoerde mijn studieboeken in
een linnentas van de Wereldwinkel. Uiteindelijk kwam ik in 1993 in
Amerika terecht, en daar is zonder auto niet te leven. Het rijbewijs is
er bovendien makkelijk te halen, en na drie lessen van mijn vrouw in een
oude Cadillac Eldorado op het parkeerterrein van de supermarkt, kon ik
examen doen.
originele post: http://www.martinbril.nl/
Sindsdien ben ik automobilist.
Toen we in 1994 terugkwamen in Nederland, kochten we een lichtblauwe
Volvo 240, bij Jan Roest op de Zeeburgerdijk in Amsterdam. Dat was
destijds hét adres voor oude Volvo’s, en nog steeds trouwens. Ik weet
niet meer hoeveel de auto kostte. Het kan niet veel zijn geweest, want
geld hadden we niet en zo hoorde het ook, want we waren artiest. Ik was
onmiddellijk verknocht aan de auto, en noemde hem liefkozend “de oude
Volvo”.
Dat was hij namelijk.
De Volvo 240 stamt uit het midden van de jaren zeventig. Het
exemplaar dat wij bezaten, was gebouwd in 1981. Hij had toen we hem
kochten 180.000 kilometer op de teller staan, en toen we hem andeerhalf
jaar later bij Jan Roest inruilden voor een donkergroene 240 Estate met
prachtige velgen die ik eens in de drie maanden met een tandenborstel
poetste 210.000 kilometer. Hij reed als een tierelier - je had echt het
gevoel dat je in een auto zat. Als een blok op de weg, nauwelijks
vering, en nooit pech. Nog steeds is het een populaire auto, vooral in
kringen van van veertig-plussers die op cowboylaarzen lopen en moderne
jonge moeders in flodderjurken. Maar ook als oldtimer zie je hem nog
regelmatig, dan zit er meestal een oud echtpaar in en glimt de wagen
alsof hij zo uit een showroom van vroeger komt.
Het is wonderlijk om gehecht te zijn aan een auto, en om je leven
lang trouw te blijven aan één merk heeft helemaal iets eigenaardigs.
Mijn vader reed zijn hele werkzame leven Opel, Unilever had een deal met
dat merk, maar nog geen dag met pensioen, kocht hij een Mercedes. Ik
heb het gevoel dat ik tot Volvo ben veroordeeld, maar waarom precies kan
ik niet uitleggen. Het hangt uiteraard samen met mijn garage - Roest.
De naam zegt het al, voeg ik er altijd aan toe.
Maar het heeft nog meer met Volvo te maken; die oude wagens, de 240,
de 740, de Amazone (nog veel ouder), maar ook de nieuwere modellen
hebben een onverzettelijke, bijna lompe robuustheid die me ontroert. Het
zijn geen watjes, die wagens, geen Italianen of Fransen die onder je
kont wegroesten, en ook geen BMW’s en Audi’s die een aura van
patserigheid hebben. Volvo’s zijn beschaafd, maar toch hardwerkend. Als
je auto’s met mensen zou kunnen vergelijken, is de Volvo een knoestige,
wat onhandige man, met haar in zijn oren, die, als hij eenmaal na een
paar glaasjes loskomt, verschrikkelijk geestig blijkt te zijn en ook nog
goed kan dansen.
Hieraan moest ik denken toen ik mijn oude auto tussen Hoofddorp en
Haarlem inhaalde en in de spiegel zag verdwijnen.
Michielio
August 27th, 2010 at 07:43
Het is een geweldige beschrijving van Bril van HET type Volvo dat wel mag worden uitgeroepen tot het ‘boegbeeld’ van Volvo anno 1900 !
Echter ik bezit er ook 1 ,een 244 en ben niet onhandige en knoestig.